|
Als de auto afslaat tijdens het rijden
|
-
Verminder uw snelheid en houd de auto in een rechte lijn.
-
Breng de auto op een veilige plek tot stilstand.
-
Schakel de alarmknipperlichten in.
-
Start de auto opnieuw.
|
|
Als de auto afslaat op een kruispunt of splitsing
|
-
Schakel naar N (neutraal).
-
Duw de auto naar een veilige plek.
|
|
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt
|
-
Verminder uw snelheid geleidelijk aan en houd de auto in een rechte lijn.
-
Breng de auto op een veilige en vlakke plek tot stilstand, weg van het verkeer.
-
Schakel de alarmknipperlichten in.
-
Activeer de handrem.
-
Schakel naar stand P (parkeren).
-
Laat alle inzittenden uitstappen, weg van het verkeer.
ZieBandenreparatieset.
|
|
Als de auto niet start
|
-
Verzeker dat de stand P (Parkeren) geselecteerd is. Het voertuig zal enkel starten wanneer P (Parkeren) geselecteerd is.
-
Controleer of de 12-Volt batterijklemmen schoon zijn en goed vastzitten.
-
Schakel de interieurverlichting in. Als de interieurverlichting zwakker gaat branden of uitgaat als u de startmotor bedient, is de 12V-batterij bijna leeg.
|