Beperkingen van de functie
In de onderstaande situaties moet de bestuurder voorzichtig zijn, omdat de functie onder bepaalde omstandigheden mogelijk geen andere voertuigen of voorwerpen detecteert.
-
De functie werkt mogelijk niet gedurende ongeveer 15 seconden na het starten van het voertuig of het initialiseren of opnieuw opstarten van de frontzichtcamera.
-
Er hangt een aanhanger of fietsendrager achter de auto.
-
Het voertuig rijdt in slechte weersomstandigheden, zoals zware regenval of sneeuw.
-
De sensor is vervuild door regen, sneeuw, modder enz.
-
De achterbumper waarin de sensor zich bevindt, is afgedekt met vreemde voorwerpen zoals een sticker, bumperbescherming, een fietsendrager enz.
-
De achterbumper is beschadigd of de sensor bevindt zich niet meer op de oorspronkelijk ingestelde positie.
-
De voertuighoogte wordt verhoogd of verlaagd door een zware last in de kofferruimte, abnormale bandenspanning enz.
-
Als de temperatuur van de achterbumper hoog of laag is.
-
Als de sensoren worden geblokkeerd door andere voertuigen, wanden of pilaren rond de parkeerplaats.
-
Het voertuig rijdt over een bochtige weg.
-
Het voertuig rijdt voorbij een slagboom.
-
Het wegdek (of de grond eromheen) bevat ongewone metalen (bijv. door de aanleg van een tunnel).
-
Het voertuig rijdt naast een vast object, zoals een vangrail.
-
Tijdens het op- en afrijden van steile wegen, waarbij de hoogte van de rijstrook verschilt.
-
U rijdt over een smalle weg waar gras of bomen overheen hangen.
-
Als u door landelijk gebied rijdt waar de sensor langere tijd geen andere voertuigen of constructies detecteert.
-
U rijdt over een natte weg.
-
U rijdt over een weg met een dubbellaagse vangrail of muur erlangs.
-
Er is een groot voertuig in de buurt, zoals een bus of vrachtwagen.
-
Als het andere voertuig erg dicht nadert.
-
Als het andere voertuig aan een zeer hoge snelheid voorbijrijdt.
-
Tijdens het wisselen van rijstrook.
-
Als uw voertuig gelijktijdig weggereden is met het voertuig naast u en geaccelereerd heeft.
-
Als het voertuig op de naastgelegen rijstrook twee rijstroken verder weg rijdt OF als het voertuig twee rijstroken verderop dichterbij komt tot op de naastgelegen rijstrook.
-
Er is een (motor)fiets in de buurt.
-
Er bevindt zich een platte oplegger in de buurt.
-
Als zich kleine voorwerpen in het detectiegebied bevinden, zoals een winkelkarretje of kinderwagen.
-
Als er een laag voertuig in de buurt is, zoals een sportwagen.
Het kan zijn dat de remkrachtregeling onder de volgende omstandigheden niet werkt. U moet opletten.
-
Het rempedaal wordt ingetrapt.
-
De ESC (elektronische stabiliteitsregeling) is geactiveerd.
-
Storingen van de ESC (elektronische stabiliteitsregeling).
-
Een lage bandenspanning of een beschadigde band.
-
De rem werkt niet goed.
-
De auto wisselt abrupt van rijrichting.
-
De auto wisselt abrupt van rijstrook.
-
Het voertuig komt met een schok tot stilstand.
-
Het voertuig trilt hevig tijdens het rijden over een hobbelige weg, ongelijkmatige weg of betonplaten.
-
Het voertuig rijdt over een ondergrond die glibberig is door de sneeuw, plassen of ijs.
-
Lane Departure Warning of Lane Keeping Assist werkt niet naar behoren. Voor meer informatie, zie Meer details.

De BCW en BCA werken mogelijk niet goed wanneer u over een bochtige weg rijdt. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de functie het voertuig in de aangrenzende rijstrook niet detecteert.
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.

De BCW en BCA werken mogelijk niet goed wanneer u over een bochtige weg rijdt. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de functie een voertuig in dezelfde rijstrook niet herkent.
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.

De BCW en BCA werken mogelijk niet goed op plekken waar de rijstroken samenvoegen/splitsen. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de functie het voertuig in de aangrenzende rijstrook niet detecteert.
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.

De BCW en BCA werken mogelijk niet goed wanneer u op een helling rijdt. Onder bepaalde omstandigheden is het mogelijk dat de functie het voertuig in de aangrenzende rijstrook niet detecteert.
Ook is het mogelijk dat de functie onder bepaalde omstandigheden de grond of constructies verkeerd herkent.
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.

Mogelijk werken de BCW en BCA niet goed op plekken waar de rijstroken op verschillende hoogten lopen.
In bepaalde gevallen is het mogelijk dat de functie een voertuig niet detecteert op een weg waar rijstroken op verschillende hoogten lopen (invoegstrook uit een tunnel, ongelijkvloerse kruisingen, enz.)
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.

[A]: geluidsscherm, [B]: vangrail
De BCW en BCA werken mogelijk niet goed op plekken waar zich een constructie langs de weg bevindt.
In bepaalde gevallen is het mogelijk dat de functie de constructies (geluidsschermen, vangrail, dubbele vangrail, middenberm, verkeerspaal, straatlantaarn, verkeersbord, tunnelwand, enz.) langs de weg niet goed herkent.
Rij steeds met aandacht voor de weg en de rijomstandigheden.