Voorwaarden voor gebruik
Functie Voorwaartse/zijdelingse veiligheid
Na het selecteren van Veiligheid achterzijde in het instelmenu Parkeerveiligheid van het Infotainmentsysteem wordt de Assistentie voor het vermijden van aanrijdingen bij parkeren geactiveerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
-
Voorwaartse/zijwaartse veiligheid is geselecteerd in het menu Instellingen parkeerveiligheid van het Infotainmentsysteem.
-
De achterklep en de portieren zijn gesloten
-
De elektronische parkeerrem (EPB) is uitgeschakeld
-
Schakelen naar R (Achteruit) of D (rijden)
-
Rijden met 4 km/u (2,5 mph) of minder (voor voetgangers en objecten)
-
Onderdelen van Assistentie voor het vermijden van aanrijdingen bij parkeren, zoals de groothoek-achteruitrijcamera en de ultrasoonsensoren verkeren in normale staat
Veiligheidsfuncties achterzijde
Na het selecteren van Veiligheid achterzijde in het instelmenu Parkeerveiligheid van het Infotainmentsysteem wordt de Assistentie voor het vermijden van aanrijdingen bij parkeren geactiveerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
-
De achterklep en de portieren zijn gesloten
-
De elektronische parkeerrem (EPB) is uitgeschakeld
-
Schakelen naar R (Achteruit)
-
Rijden met 10 km/u (6,2 mph) of minder (voor voetgangers)
-
Rijden met 4 km/u (2,5 mph) of minder (voor objecten)
-
Onderdelen van Parking Collision-Avoidance Assist, zoals de achteruitrijcamera en de ultrasoonsensoren achter verkeren in normale staat
![]() OMV073188L |
Als het Aanrijdingspreventiesysteem parkeren actief wordt, verschijnt er op het instrumentenpaneel een lijn achter het beeld van het voertuig. |
De functie Aanrijdingspreventiesysteem parkeren werkt alleen nadat de transmissie in de stand R (achteruit) is geschakeld. Om de functie Aanrijdingspreventiesysteem parkeren opnieuw te activeren, schakelt u van een andere versnelling naar R (achteruit).
