Controlesysteem lage bandenspanning (TPMS)

OOV065003L_2
  1. Waarschuwingslampje lage bandenspanning

    Controlelampje TPMS-storing

  2. Waarschuwingslampje positie lage bandenspanning (op het instrumentenpaneel)

De bandenspanning controleren

  • U kunt de bandenspanning controleren via de assistentiemodus op het instrumentenpaneel.

  • De bandenspanning wordt 1 tot 2 minuten na het rijden weergegeven.

  • Als de bandenspanning niet wordt weergegeven als het voertuig tot stilstand is gebracht, verschijnt het bericht Rijd om weer te geven. Controleer na het rijden de bandenspanning.

  • U kunt de eenheid voor de bandenspanning op het infotainmentsysteem wijzigen via de gebruikersinstellingen.

Elke band, ook de reserveband (indien voorzien), dient maandelijks koud te worden gecontroleerd en opgepompt tot de bandenspanning die door de autofabrikant wordt aanbevolen op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel.

(Als de bandenmaat van uw auto niet overeenkomt met de bandenmaat op het voertuigplaatje of het bandenspanningslabel, dient u de juiste spanning voor deze banden te bepalen.)

Voor extra beveiliging is uw auto uitgerust met een controlesysteem lage bandenspanning (TPMS) dat ervoor zorgt dat een waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden wanneer de bandenspanning van een of meerdere band(en) aanmerkelijk te laag is. Wanneer het waarschuwingslampje lage bandenspanning brandt, dient u de auto dus stil te zetten, de banden zo snel mogelijk te controleren en ze op de juiste spanning te brengen. Rijden op banden waarvan de bandenspanning te laag is, heeft oververhitte en mogelijk beschadigde banden tot gevolg. Te lage bandenspanning levert een hoger brandstofverbruik op, verkort de levensduur van de banden en heeft mogelijk invloed op de rijeigenschappen van de auto en de remweg.

Het TPMS dient niet in plaats van goed onderhoud van de banden te worden gebruikt. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder de banden op de juiste spanning te houden, ook al is de bandenspanning nog niet zo laag dat het TPMS-waarschuwingslampje gaat branden.

Uw auto is tevens uitgerust met een controlelampje storing TPMS dat aangeeft wanneer het systeem niet goed werkt. Het controlelampje storing TPMS is gecombineerd met het waarschuwingslampje lage bandenspanning. Wanneer door het systeem een storing wordt gedetecteerd, knippert het waarschuwingslampje gedurende ongeveer een minuut en gaat daarna branden. Dit herhaalt zich iedere keer als de auto wordt gestart, zolang de storing aanwezig is. Wanneer het controlelampje storing TPMS blijft branden nadat het gedurende ongeveer 1 minuut heeft geknipperd, kan het systeem mogelijk niet naar behoren een te lage bandenspanning vaststellen of weergeven.

TPMS-storingen die voorkomen dat het TPMS goed functioneert, kunnen verschillende oorzaken hebben, zoals het monteren van nieuwe banden of wielen of het verwisselen van banden of wielen op de auto. Controleer na het vervangen van een of meerdere band(en) of wiel(en) het controlelampje storing TPMS om ervoor te zorgen dat het TPMS goed werkt.

OPMERKING

Als zich één van de volgende situaties voordoet, moet u het systeem laten nakijken door een professionele werkplaats. Kia raadt aan om een officiële Kia-dealer/servicepartner te bezoeken.

  1. De lage bandenspanning waarschuwingslampje/TPMS storingswijzer gaat niet 3 seconden branden wanneer het voertuig in POWER ON positie staat of het voertuig draait.

  2. Het controlelampje storing TPMS blijft branden nadat het gedurende ongeveer 1 minuut heeft geknipperd.

  3. Het waarschuwingslampje positie lage bandenspanning blijft branden.