Algemene voorzorgsmaatregelen

WAARSCHUWING
  • Losliggende voorwerpen in de voetenruimte van de bestuurder kunnen de werking van de pedalen nadelig beïnvloeden en mogelijk een ongeval veroorzaken.

  • Concentreer u op de weg tijdens het rijden. De belangrijkste verantwoordelijkheid van de bestuurder ligt bij het veilig en legaal besturen van het voertuig. Als bestuurder mag u geen apparaten gebruiken die u in de hand moet houden of andere uitrusting of voertuigsystemen die u tijdens het rijden afleiden.

  • Controleer altijd de omgeving rond de auto op de aanwezigheid van personen, in het bijzonder kinderen, voordat u de transmissie in stand D (rijden) of R (achteruit) zet.

  • Zorg dat voorwerpen in uw auto veilig zijn opgeborgen. Wanneer u plotseling remt of het stuurwiel snel draait, kunnen losse voorwerpen op de vloer terechtkomen en de bediening van de pedalen hinderen, met een aanrijding tot gevolg.

  • Rijd niet wanneer u onder invloed bent van alcohol, drugs of andere middelen die uw vaardigheden beperken. Rijden onder invloed is gevaarlijk. Zelfs een geringe hoeveelheid alcohol zal het reactie-, waarnemings- en beoordelingsvermogen verminderen.

    Rijden onder invloed van drugs of andere middelen die uw vaardigheden beperken, is minstens even gevaarlijk als rijden onder invloed van alcohol.

  • Draag tijdens het rijden altijd geschikte schoenen. Ongeschikte schoenen (hoge hakken, skischoenen, sandalen enz.) kunnen het bedienen van het rempedaal en het gaspedaal bemoeilijken.

  • Als u met u auto vast komt te zitten in sneeuw, modder, zand enz. kunt u proberen de auto weer los te trekken door heen en weer te schommelen. Doe dat echter niet als er mensen of voorwerpen in de directe nabijheid van de auto staan. Tijdens het lostrekken door heen en weer te schommelen kan de auto plotseling naar voren of naar achteren bewegen als de aangedreven wielen weer grip krijgen, waardoor nabije personen letsel kunnen oplopen of nabije zaken schade kunnen oplopen.

  • Als u bergop of bergaf rijdt, moet u altijd naar D (rijden) schakelen om vooruit te rijden of naar R (achteruit) schakelen om achteruit te rijden, en moet u de versnellingspositie op het dashboard controleren voordat u gaat rijden. Rijden in de tegengestelde richting van de gekozen versnelling, kan tot een gevaarlijke situatie leiden doordat het voertuig wordt uitgeschakeld en het remvermogen wordt aangetast.

  • Doe uw veiligheidsgordel ALTIJD om. Bij een aanrijding lopen inzittenden die hun veiligheidsgordel niet dragen een veel grotere kans op ernstig letsel dan inzittenden die hun veiligheidsgordel wel dragen.

  • Pas uw snelheid aan voordat u een bocht aansnijdt of gaat keren.

  • Maak geen plotselinge stuurbewegingen bij het wisselen van rijstrook of bij het nemen van snelle, scherpe bochten.

  • Het risico dat de auto over de kop slaat wanneer u de controle over het stuur verliest, is veel groter bij hogere snelheden.

  • Meestal verliest de bestuurder de controle over de auto wanneer twee of meer wielen van de weg raken en de bestuurder het stuur omgooit om de auto weer de weg op te sturen.

  • Als uw auto van de weg raakt, stuur dan niet abrupt terug. Minder in plaats daarvan snelheid voordat u de auto terug de weg op stuurt.

  • Houd u altijd aan de snelheidslimieten.