Storingen aan het voertuig of niet-operationele omstandigheden

Storing

Procedure

Als de auto afslaat tijdens het rijden

  1. Verminder uw snelheid en houd de auto in een rechte lijn.

  2. Breng de auto op een veilige plek tot stilstand.

  3. Schakel de alarmknipperlichten in.

  4. Start de auto opnieuw.

Als de auto afslaat op een kruispunt of splitsing

  1. Schakel naar N (neutraal).

  2. Duw de auto naar een veilige plek.

Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt

  1. Verminder uw snelheid geleidelijk aan en houd de auto in een rechte lijn.

  2. Breng de auto op een veilige en vlakke plek tot stilstand, weg van het verkeer.

  3. Schakel de alarmknipperlichten in.

  4. Activeer de handrem.

  5. Schakel naar stand P (parkeren).

  6. Laat alle inzittenden uitstappen, weg van het verkeer.

Zie Bandenreparatieset.

Als de auto niet wil starten

  • Verzeker dat de stand P (Parkeren) geselecteerd is. Het voertuig zal enkel starten wanneer P (Parkeren) geselecteerd is.

  • Controleer of de 12-Volt batterijklemmen schoon zijn en goed vastzitten.

  • Schakel de interieurverlichting in. Als de interieurverlichting zwakker gaat branden of uitgaat als u de startmotor bedient, is de 12V-batterij bijna leeg.