De richtingaanwijzers bedienen

OSW035465L

De auto moet in de stand POWER ON of de stand DRIVE READY staan en de indicator moet branden om de richtingaanwijzers te laten werken.

  • Beweeg de hendel omhoog of omlaag (1) om de richtingaanwijzers te activeren.

    De groene, pijlvormige indicators op het instrumentenpaneel ( ) geven aan welke richtingaanwijzer in werking is.

    De richtingaanwijzers zullen na een bocht automatisch worden geannuleerd. Zet de hendel handmatig terug naar de stand UIT als de richtingaanwijzers na een bocht blijven knipperen.

  • Beweeg de hendel iets naar positie (2) en houd ingedrukt om een rijstrookwissel aan te geven.

    Als u de hendel loslaat, keert deze terug naar de stand OFF.

  • Als de richtingaanwijzer blijft branden zonder te knipperen of abnormaal knippert, is er mogelijk sprake van een storing in een van de richtingaanwijzers en moet deze indien nodig worden geïnspecteerd en vervangen.